Trend: De Zeven zonden van Brabant

Zeven zonden - Afgunst

Brabant was lange tijd een achtergestelde provincie waar het protestantse en meer welvarende deel van ons land op neer keek. En andersom keek Brabant op naar de Randstad. Maar tijden veranderen. Inmiddels is Brainport Eindhoven een van de meest innovatieve regio’s ter wereld, floreren onze farmaceutische en automotive industrie en is het goed wonen en werken in het Brabantse land. Hoe is het eigenlijk gesteld met afgunst vanuit Brabant naar de rest van het land en vice versa? Kunnen we al spreken van een omgedraaid calimero-effect waarbij de Randstad opkijkt naar Brabant? En welke rol speelt de mediakloof hierin? Karin Sitalsing, geboren in Veghel en inmiddels trotse noorderling en regio-journalist voor Trouw, ging voor ons op onderzoek.

Auteur

Karin Sitalsing
Journalist / auteur Portretfoto: Corné Sparidaens

Karin Sitalsing

Karin is freelance journalist en schrijfster van literaire non-fictie (o.a. Boeroes – een familiegeschiedenis van witte Surinamers, uitgeverij AtlasContact, 2016). Ze woont en werkt in Groningen en werd geboren in het Brabantse Veghel.

‘Groot denken’ begint met een zachte G

Enne keer per jaar komen ze buiten de ring

Al die noordelijke kwallen in hun SQUAD-pak uit Beijing

Het hele jaar doen randstadmannen of we niet bestaan

Maar met Carnaval, dan pas maar op, dan komen ze d’r aan


Ik schup ze allemaal terug over de Maas

Allemaal terug over de Maas

Waar ze lauwe biertjes tappen, en van carnaval niets snappen

Ik schup ze allemaal terug over de Maas


Ze deden het voor de grap, drie vrienden die zich ‘de Kapotte Kachels’ noemen. Om te kijken of ze het konden, een carnavalskraker schrijven. Ze zetten in op vier optredens en gratis bier. In één weekend hadden ze maar liefst zeventig aanvragen, ze wonnen zelfs een prijs. ‘Jullie zingen precies wat wij al jaren denken’, jubelen de fans over Terug over de Maas. ‘Het is net een wijnvat’, zegt Kapotte Kachel Sander Ottens. ‘Maar dan vol emoties. En het enige dat wij hebben gedaan was de kraan open zetten.’

Wat bleek? De vrienden waren, zacht gezegd, niet de enigen die het was opgevallen dat er zelden mensen met een accent (als in: anders dan ABN) op televisie zijn. En áls, dat ze dan vaak belachelijk worden gemaakt, of ondertiteld - wat feitelijk betekent: jullie zijn anders dan wij. Zijn er Brabanders op televisie, dan moeten die vooral grappig zijn, zegt Sander: ‘Zoals Marc-Marie, de excuus-Brabo van DWDD. Die mag drie keer ‘worstenbroodje’ zeggen en dan moet iedereen lachen.’ En hoe vaak haalt Brabant eigenlijk de landelijke media met de talloze innovatieve wonderen die er geschieden? Dat het eens níet over corona, drugs of varkensboeren gaat?

Nou ja, zegt Sander - hij realiseert zich dat hij nu zelf ook stereotypeert, en wil ook weer niet de hele Randstad over één kam scheren. Als freelance programmeur werkt hij in het hele land, en met Rotterdammers en Hagenezen bijvoorbeeld botert hij als een dolle. ‘Misschien omdat we een gemeenschappelijke vijand hebben’, lacht hij. ‘Amsterdammers hebben de mond vol van diversiteit. Dikke mensen, donkere mensen, allerlei geaardheden, niemand mag geshamed worden, maar als je met een zachte G praat gelden blijkbaar andere regels. Nou, dank je de koekoek. En met carnaval, dan zijn we blijkbaar wél goed genoeg.’

C.V. De Kapotte Kachels - Terug Over De Maas (Carnaval 2019)

Oké, helder. Maar hoe komt het dan dat dit niet veel meer algemeen bekend is? Dat de landelijke berichtgeving over Brabant vaak blijft hangen in clichés en stereotypen – boeren, drugs, corona, carnaval?

Natuurlijk, Sander is heus wel eens in de hoofdstad, had er menige mooie avond. En hij is beslist niet xenofoob, kan er ergens ook wel weer om lachen, ziet het gnuivend aan. Wat zou het voor zin hebben te klagen bij de redactie van de praatprogramma’s? En bovendien: laat ze maar lekker denken dat ze belangrijk zijn. ‘Wij weten beter. Zonder ASML zou niet één van die avocadohipsterkoffietentjes tablets hebben om bestellingen mee op te nemen.’
 

Wij weten beter. Zonder ASML zou niet één van die Randstedelijke avocadohipsterkoffietentjes tablets hebben om bestellingen mee op te nemen.

Och, de relatie tussen de Randstad en ‘de regio’. Wat ‘de regio’ dan ook maar moge betekenen, want de Randstad is natuurlijk ook een regio. Maar laten we de rest van Nederland hier toch even zo noemen, voor de overzichtelijkheid. Die relatie is gecompliceerd. Randstad kijkt neer op regio. Regio kijkt op tegen Randstad.
Neem de Q-koorts. ‘Die had eens in Amsterdam moeten zijn uitgebroken, dan was er onmiddellijk ingegrepen’, luidt het sentiment van veel Brabanders. Voor Groningen geldt hetzelfde voor de aardbevingen, en zo zal elke provincie zijn eigen Q-koorts hebben. Maar, zegt cultuurtheoloog Frank Bosman. ‘En dan gríjpen ze in, en dan wórdt er wat gedaan, en wat zeggen de Brabanders dan? ‘De hoge heren in Den Haag hoeven ons niet te komen vertellen hoe wij het hier moeten aanpakken. Heb je dat weer.’

Is er in deze gecompliceerde relatie sprake van afgunst? Nee, denken de voor dit essay geïnterviewden. Brabanders zijn niet afgunstig op Randstedelingen, maar veel Brabanders vinden wel dat die Randstedelingen best een toontje lager mogen zingen. En eens wat vaker, of überhaupt, hun hoofd buiten de grachtengordel zouden moeten steken.

Even voor de duidelijkheid: afgunst is niet hetzelfde als jaloezie. In beide gevallen bewonder je wat een ander heeft of doet. Maar bij jaloezie misgun je het die ander niet, niet per se. Bij afgunst wel. Of, zoals cultuurtheoloog Frank Bosman zegt: ‘Jaloezie is: jij hebt een mooiere auto dan ik, die zou ik ook wel willen. Afgunst is: jij hebt een mooiere auto dan ik, en daarom haat ik je. En dat is hier zeker niet aan de orde.’

Afgunst is niet hetzelfde als jaloezie. In beide gevallen bewonder je wat een ander heeft of doet. Maar bij jaloezie misgun je het die ander niet, niet per se. Bij afgunst wel.

Geen afgunst, zegt hij, zeggen ook anderen. Wel onbegrip. En het goede nieuws is: daar is iets aan te doen.

Bart Brouwers, journalist, voormalig hoofdredacteur van onder meer de Limburger en hoogleraar Journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen, groeide op in Eindhoven en wist niet hoe snel hij uit de Lichtstad moest wegrennen toen hij de kans kreeg. Een zwerftocht door heel Nederland volgde, tot hij acht jaar geleden weer in zijn geboortestad terugkeerde.

Bart wist niet wat hij meemaakte. De saaie, sombere, lelijke stad die hij op zijn achttiende achter zich had gelaten was getransformeerd in een bruisende biotoop, een pulserend hart waar de meest ongelooflijke dingen gebeuren op technologisch en innovatief gebied.

‘In de jaren negentig zat de regio in het slop. Philips halveerde, DAF trok weg. Toen zijn de kennisinstellingen, de overheden en grote bedrijven bij elkaar gaan zitten, zo van: oké, we zijn klein, oké, niemand helpt ons. Dit moeten we zélf fixen, hoe gaan we dat doen? Niet óf, maar hoe.’

Wat was er nou precies gebeurd? De regio had haar calimerogevoel omgezet in strijdvaardigheid. O, jij denkt dat wij ons laten kisten? Let maar eens op. Of, zoals Esquire-hoofdredacteur Arno Kantelberg, die het boek Het wonder van Eindhoven schreef, zegt: ‘De mensen zelf hebben de stad weer opnieuw opgebouwd, haar aan de haren uit de Dommel getrokken. En nu is Eindhoven de slimste regio ter wereld.’

Negentig procent van alle chips over de hele wereld wordt gemaakt door machines van ASML, zegt Bart Brouwers. ‘Ne-gen-tig procent!’

Om iets beter te begrijpen waarom de landelijke media zo veel meer focus leggen op de Randstad, maken we een zijstapje om te schetsen hoe de redacties werken. Alle landelijke media hebben correspondenten in wat ze ‘de provincie’ noemen. In de praktijk betekent dit dat één correspondent in een enorm groot gebied – twee, soms drie provincies - het nieuws moet bijhouden. In veel gevallen zijn deze correspondenten ook nog freelancers, wat betekent dat ze het correspondentschap in deeltijd doen. De redacties zitten zelf in Amsterdam. Zo’n veertig journalisten werken in één stad, terwijl één parttimer drie provincies bestiert. 

Redacties van landelijke media zitten in Amsterdam, daarnaast hebben ze correspondenten in 'de provincie'. Ergo: veertig journalisten in één stad versus één parttimer voor drie provincies.

Wat dit betekent voor de berichtgeving, en wat het zegt over hoe serieus de hoofdredacties hun regio’s nemen - dat is niet bepaald hogere wiskunde.

Karel Smouter, freelance journalist in Deventer en in die hoedanigheid onder meer correspondent Oost-Nederland voor NRC, houdt zich erg bezig met de tegenstelling tussen Randstad en regio. In 2017 deed hij onderzoek naar de woonplaatsen van journalisten in Nederland. Binnen de Randstad heeft de hoofdstad met stip de meeste journalisten, namelijk 1393. De nummer twee staat daar schrikbarend ver achter: Utrecht met 524. Tweederde van alle journalisten in heel Nederland woont in de Randstad en een kwart van hen in Amsterdam. Bijna de helft woont in één van de vier grote steden.

Even voor het beeld: van hun publiek woont bijna zestig procent níet in de Randstad.

Natuurlijk, journalisten kunnen in trein of auto stappen, en die voorbeelden zijn er. Maar, schrijft Karel op De Correspondent: ‘Het maakt uit of er óver een streek wordt geschreven of vanuit. Pas als je ergens woont, begin je de cultuur en de humor te snappen, krijg je taboes en gevoelige kwesties goed in beeld en ontdek je wat er onder de oppervlakte leeft. Doe je dat niet, dan blijf je aan de oppervlakte hangen: drugsbendes in Brabant, krimp in Zuid-Limburg, gas in Groningen, schaatsen in Friesland - en dat is het.’

Ook schrijver dezes is freelance correspondent, in mijn geval in Groningen en Drenthe voor dagblad Trouw. Karel heeft gelijk. In mijn regio stuit ik dagelijks op wantrouwen en argwaan omdat de mensen die ik bezoek mij zien als een Randstedeling. Een van de eerste dingen die ik daarom standaard zeg is: ik woon in Groningen hoor. Ik ben één van jullie. Zonder vertrouwen kom ik niet aan mijn verhalen - ik zie mensen ontdooien als ze merken dat ik in hun team zit.

Maar, eerlijk is eerlijk: veel mensen, juist in ‘de regio’ – zijn bescheidener. Of althans, ze missen de bravoure die de hoofdstad wel heeft. Even heel gechargeerd: Amsterdammers roepen het wél van de daken als er nieuws is, anderen niet. Is het dan echt alleen de journalisten aan te rekenen dat ze meer over de hoofdstad schrijven? Als er geweldig mooie dingen gebeuren in, zeg, Tilburg, maar niemand treedt daar ooit over naar buiten, hoe moet het dan ooit in de krant komen?

BRAINPORT

Durven, je bescheidenheid overwinnen en op de trom slaan - veel Brabanders zit dat niet bepaald in het dna, merkte ook Bart Brouwers. Na zijn rentree in Eindhoven startte hij een online platform voor verhalen over alle mooie innovaties die er tijdens zijn afwezigheid hadden plaatsgevonden – Innovation Origins. ‘We moesten echt ons best doen om de makers over de streep te krijgen zodat ze ons hun verhalen wilden vertellen.’

Durven, je bescheidenheid overwinnen en op de trom slaan - veel Brabanders zit dat niet bepaald in het dna. 

Waarom zou je gaan zitten wachten tot de landelijke media je initiatieven opmerken, als je ook zélf de telefoon kunt pakken? Dat is exact wat de BOM deed, de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij. Bram van den Hoogen van de BOM zocht contact met BNR en het Financieel Dagblad. De samenwerking leidde tot drie podcasts en longreads over ondergesneeuwde Brabantse ondernemingen. Daarnaast interviewde nieuwslezer Roelof Hemmen in separate uitzendingen vijf toonaangevende gasten uit het Brabantse bedrijfsleven – de zogenoemde ‘big five’ van Brabant. Ja, geeft Bram toe, de BOM betaalde ervoor, maar als je daar open over bent is journalistieke onafhankelijkheid geen discussiepunt – het is gewoon een advertorial, zoals die ook in tijdschriften staan.

Los van deze gesponsorde content leverde de BOM ook tips aan, waarbij het de media vrij staat er iets mee te doen. En, zegt Bram, misschien wel het belangrijkste neveneffect: ‘We weten elkaar nu te vinden. En we hebben meer gevoel voor welke verhalen wel en niet kansrijk en welkom zijn. Zo’n duurzame investering in de relatie is heel waardevol.’

Eerder al deed de BOM iets soortgelijks met Omroep Brabant – het leidde tot het programma Booming Brabant, waarbij steeds een andere ondernemer een podium kreeg. ‘En toen dachten we: waarom zouden we dat niet óók landelijk kunnen doen?’

Dat ene schaap dat over de dam moest mag dan een duwtje nodig hebben gehad – voor het effect maakt dat niets uit. Want na de samenwerking met BNR en FD klopten schoorvoetend ook andere ondernemers aan: zou de BOM ook hén kunnen pluggen bij al die mooie landelijke media?

Onderschat niet de kracht van voorbeelden en rolmodellen, zegt Bram. Want: als het bedrijf X lukt om landelijke aandacht te krijgen, waarom zou ik dan niet ook een poging wagen? Het voorbeeld van de Brabantse bedrijven is heel concreet, maar je kunt het ook breder trekken naar, zeg, een Guus Meeuwis. Als de poster boy van de provincie zegt: ‘Ik ga de Royal Albert Hall uitverkopen’, en het ‘m nog flikt ook, wie zouden andere Brabanders dan zijn om niet óók wat groter te durven denken? ‘Zulke iconen zijn belangrijk.’

Als de BOM niet het lot een handje had geholpen, waren al die mensen die nu in een podcast of artikel genoemd zijn, vermoedelijk onbelicht gebleven.
Ook Bart Brouwers’ bedrijf nam een vlucht, en hoe: vijf jaar na de start zit Innovation Origins in heel Europa. En o, ironie, over dat eeuwige opkijken tegen een ander. Laatst was Bart in Zeeland, waar hij mensen hoorde verzuchten: ‘Ja weet je, we doen hier best mooie dingen, maar we hebben gewoon niet de trots die Brabanders wél hebben om het uit te dragen.’ 

Laatst in Zeeland, hoorde ik mensen verzuchten: ‘We doen hier mooie dingen, maar we hebben gewoon niet de trots die Brabanders wél hebben om het uit te dragen.’ Zie je? Het gevoel achtergesteld te worden zit gewoonweg ingebakken.

Zo zie je maar weer. Het gevoel van achtergesteld worden zit ingebakken, zegt Bart - iedereen heeft een grote broer om vol ontzag tegenop te kijken. ‘Voor Brabant is dat de Randstad, voor de Randstad de Verenigde Staten. Het mechanisme is overal hetzelfde, alleen de schaal is anders.’

En soms heb je er vreemde ogen voor nodig om te zien wat je zelf hebt. Dat kan een BOM zijn die je erop wijst, of een Zeeuw. Of een buitenlandse journalist.
Heleen Huisjes van VisitBrabant nodigt vaak journalisten uit op persreizen. Veel van hen komen uit het buitenland en letten op heel andere dingen.

Neem het fietspad met lichtkunst van Daan Roosegaarde, tussen Eindhoven en Nuenen. Overdag zie je niets bijzonders, maar zo gauw de schemering invalt, lichten de stenen op in sprookjesachtig blauw en groen, in het patroon van het schilderij Starry Night van Vincent van Gogh.

De Brabantse pers reageerde in eerste instantie wat gereserveerd, vertelt Heleen. ‘Maar toen besteedde CNN er aandacht aan, daarna volgde het AD en tóen zagen de Brabantse media ook dat het eigenlijk best leuk is. En nu staat het op een lijstje van fietspaden in de wereld die je gezien moet hebben. Dan denk je toch: wauw, we doen mee in de wereld. Een bezoeker ziet heel andere dingen dan jijzelf, en soms kan die je op dingen wijzen die je zelf heel normaal of vanzelfsprekend vindt.’

VAN GOGH-ROOSEGAARDE FIETSPAD

Of we het nu willen of niet, de reactie van een ander is belangrijk. Die hebben we nodig voor onze zelf-identificatie. Zonder ander namelijk geen zelf. Cultuurtheoloog Frank Bosman legt uit hoe het werkt.
 
Zelf-identificatie wil zeggen: het bepalen van je eigen positie ten opzichte van die van een ander. Komt van vroeger, uit de oertijd, toen we nog binnen een paar seconden gevaren moesten inschatten. En dus zijn Limburgers de adel van Nederland, Friezen de rebellen en Brabanders de worstenbroodjesetende feestneuzen. Maar dan heb je nog positieve en negatieve zelf-identificatie. Het eerste houdt in: benoemen wat je hebt en wat je bent: ‘Wij zijn gezellig en bourgondisch.’ Het tweede is juist het tegenovergestelde – benoemen wat je allemaal níet bent: ‘Wij zijn niet van die arrogante Amsterdammers.’

De enige goede manier om om te gaan met stereotypen, zegt Bosman, is om ze te omarmen, om scheldnamen te gaan dragen als geuzennamen. PSV’ers zijn boeren? Prima, dan gaan de fans dat zo luid mogelijk scanderen in het stadion.

Als je gaat klagen, zegt Bosman, maak je het alleen maar erger. Door je stereotiep te omarmen en je scheldnaam te koesteren pak je de macht terug.

Een heel sterk voorbeeld hiervan is het N-woord, zegt hij. ‘Dat was een negatieve zelfidentificatie die gebruikt werd door witte mensen, om aan te geven dat ze de baas waren over zwarte mensen. Vervolgens gingen de donkergekleurde medemensen zichzelf zo noemen, en nu hebben zij het zelfs zo ver omgedraaid dat alleen zíj het nog mogen gebruiken. Nu zijn zij op dit punt de witten de baas geworden.’

Een calimerogevoel – je genegeerd, bespot of achtergesteld voelen, het kan twee kanten op: je kunt er cynisch en haatdragend van worden. Je kunt het ook omzetten in een kracht, zoals de Eindhovenaren deden.

 

Volgens Arno Kantelberg kijkt Amsterdam trouwens wel degelijk met afgunstige scheve ogen zuidwaarts. Neem Brainport. ‘Dat is een industrie die je als stad wil hebben. De kenniswerkers uit het buitenland die als expat naar Nederland komen, gaan dáár naartoe, die komen niet naar Amsterdam.’

Wat het volgens hem ook is: Amsterdam is gewoon zo godvergeten mooi en heeft daardoor nooit goed geleerd zijn best te doen. Het was simpelweg niet nodig. ‘De pracht van de grachten, het Rijksmuseum, al die mooie panden – daar is gewoon niet tegenop te concurreren. Minder mooie plekken moeten het ergens anders van hebben. Goedkopere huizen bijvoorbeeld, of een bloeiende kenniseconomie. Steden als Eindhoven en Tilburg zijn daar goede voorbeelden van.’

Volgens Frank Bosman is de tegenstelling tussen Randstad en Brabant terug te voeren naar de geschiedenis. Van oudsher geldt dat de macht in de Randstad ligt – geldt trouwens voor elk land, benadrukt hij: de macht is geconcentreerd op één plek en de rest vindt dat ze ondergewaardeerd wordt. ‘De heersende gedachte is deze: in Brabant wordt het geld verdiend, in Amsterdam wordt het uitgegeven.’  

De tegenstelling tussen Randstad en Brabant is terug te voeren naar de geschiedenis en geldt trouwens voor elk land: de macht is geconcentreerd op één plek en de rest vindt dat ze ondergewaardeerd wordt.

De BOM-woordvoerder duidt het iets politiek correcter. Volgens hem heerst bij veel Brabanders het beeld dat Randstad aan een praateconomie doet, en Brabant aan een maakeconomie. Het onderscheid, zeg maar, tussen het Rijnlandse en Anglosaksische model.

Even heel kort door de bocht: Rijnlanders overleggen meer, realiseren zich dat je moet samenwerken om dingen voor elkaar te boksen. Zij hechten, behalve aan winst maken, ook aan solidariteit, kwaliteit en vakmanschap.

Bij de Angelsaksen staat geld voorop. De aandeelhouder is de baas en alles moet zo efficiënt en zakelijk en goedkoop mogelijk.

Vertaald naar Nederland zou je kunnen zeggen dat Randstedelingen de Angelsaksen en Brabanders de Rijnlanders zijn. De Brabantse mentaliteit heeft met de grondsoort te maken, zegt Bram van den Hoogen. ‘Op zandgrond is de horizon langer, letterlijk. Daardoor hebben Brabanders doorgaans hun focus op de lange termijn.’

Bovendien, valt Bart Brouwers bij: ‘Om die onvruchtbare grond te bewerken heb je anderen nodig. Zo is een soort volksaard ontstaan van pionieren en samenwerken.’

Maar met al die volksaarden zouden we toch waanzinnig veel van elkaar kunnen leren? Even fantaseren: het liefdeskind van hard- en samenwerkend superslim Brabant en Amsterdam met zijn weergaloze netwerk en branie. Wauw, gewoon wauw.

Reëel? Er is een gedroomd en een realistisch toekomstbeeld, geeft Bart Brouwers toe, en toegegeven: dit is tamelijk utopisch. Maar, zegt hij: Brabant zou wel veel verder kunnen komen dan nu, zeker met zijn samenwerkende pioniershart. Of eigenlijk zou heel Nederland veel verder kunnen komen.

Grenzen van gemeente, stad, provincie of land, zegt Brouwers, zijn vaak een excuus om maar binnen een bepaalde eenheid te blijven hangen. Brabant is, het moge duidelijk zijn, waanzinnig goed in het maken van ingewikkelde producten – in het aansluiten op de markt is de provincie dan weer minder sterk. ‘Van Philips zijn sommige uitvindingen uiteindelijk ook op niets uitgelopen.’

Waar een grens volgens Brouwers in de weg zit, bijvoorbeeld, is bij fotonica, een tak die enorm in opkomst is. ‘In Alkmaar zit een heel mooi bedrijf op dat gebied, in Enschede ook. Maar de BOM mag alleen bedrijven steunen als die zich in Brabant vestigen. Het zou zo mooi zijn als bedrijven de samenwerking zochten met expertise die er al is, ook al is dat buiten hun eigen provincie, om elkaar zo te kunnen versterken. Zo kan iedereen van elkaar leren.’

Hij hoopt dat het Brabant eens gaat lukken om, meer dan nu, het grote geheel te zien. Los te breken uit het Brabants perspectief, maar ook samenwerken met Amsterdam, Rotterdam, België, welke partij maar de meest logische is.
Maar daar is wel iets voor nodig. Dan moet de regio, álle regio’s, kappen met al die kleinhouderij en dat gecalimero. Dan moet het afgelopen zijn met al die grenzen die we zelf hebben bedacht, en die we dus ook zouden kunnen ont-bedenken. En met dat eeuwige afzetten tegen anderen.

Hoe serieus is die afzetterij nu écht, überhaupt, waar hebben we het over in een land waar je binnen drie uur uit bent? ‘Och’, zegt Frank Bosman. ‘Het is natuurlijk ook gewoon lekker om te kunnen schoppen.’

‘Ja, lekker toch, beetje vitten’, lacht ook Kapotte Kachel Sander Ottens. ‘Weet je, als je van thuis hebt meegekregen dat Brabanders domme boeren zijn is het ook lastig om van dat cliché af te komen. En andersom geldt hetzelfde. Maar als die Randstedelingen hier één keer zijn geweest, weten ze wel beter.’  

Zeven tips om de grenzen te ontgrendelen

1. Drink eens koffie met een journalist. Die zitten altijd te springen om bijzondere verhalen.
2. Buit je eigenheid uit als een superkracht. Bijna alle journalisten vissen in dezelfde Amsterdamse vijver. Een journalist die eens met een ánder verhaal kan komen zal je dankbaar zijn.
3. Wees trots op wat je hebt en probeer niet een ander te zijn.
4. Stop met dat eeuwige opkijken tegen de Randstad. We zijn hier allemaal voor het eerst - zij ook.
5. Wees als Eindhoven. Jij vindt mij minderwaardig? Let maar eens op.
6. Zoek een sparringpartner buiten je eigen bubbel. Gebruik de buitenstaandersblik van de ander – en andersom. Zo leer je van elkaar.
7. Realiseer je: ook een vooroordeel is maar een mening, en meningen kunnen veranderen.


Samen verkennen we de Zeven Zonden van Brabant.

Deel je tip