Trend: Land van schaarste en overvloed

De grond van morgen

De grond van morgen

Grond is de drager van het buitengebied. Het is daarbij veel meer dan het tapijt van zand of klei waar agrarische excellentie, groeiende bedrijven, natuurgebieden in ontwikkeling en steeds maar toenemende woningen aan ontspruiten of op rusten. Het is ook de basis van de Brabantse geschiedenis.

Om precies te zijn: de geologische ligging en grondsoorten van Brabant vormen de basis voor de geschiedenis van Dinteloord, van de Suiker Unie en zo van het Cosun Innovation Center*. Van de komst van Philips naar Eindhoven en daarmee van ASML en VDL even verderop. Van de Maas die bij de Duitse grens door een stuwwal naar het westen is gedwongen en daarmee van een opvallend cultuurverschil tussen Brabant en ‘boven de rivieren’. Van de kolen in het Ruhrgebied en een dam in de Rotte die samen leiden tot een florerend logistiek complex door heel Brabant, goed zichtbaar rond Waalwijk. Van de dijk die de Langstraat eerst is, waarop ontginning volgt in de veertiende eeuw met water en eikenbossen eromheen, waardoor leerlooien en schoenmaken kunnen opbloeien, om vervolgens bij hun neergang aanleiding te zijn voor een sport- en wandelpark dat later De Efteling wordt. Precies zoals Auke van der Woud beschrijft in Het Landschap, De Mensen, co-evolueren landschap en bevolking. Het landschap dicteert niet wat er gebeurt. Het schept wel gunstige of juist ongunstige voorwaarden.

De beschikbaarheid van grond, de prijs ervan en het moreel kompas over de verplichtingen die met grondbezit gepaard gaan, beïnvloeden de kwaliteit van het Brabantse buitengebied. De co-evolutie tussen land en mensen leidde in Brabant tot stedelijkheid, met Tilburg en Eindhoven als meest intensieve voorbeelden. De randen van Brabant kennen juist een hoog percentage agrarisch terrein. Brabant vandaag is dus stad én buitengebied. Maar daarbij is ook typisch voor Brabant de halve maan van min of meer verstedelijkt gebied die van Etten-Leur loopt tot aan ’s-Hertogenbosch en door tot Valkenswaard: het Brabants ‘stadteland’. Agrarische gebieden zijn de spiegel hiervan met concentraties in Noordoost- en West-Brabant. Opvallend is daarbij het geringe percentage agrarisch terrein rondom Eindhoven.

Door een Europese bril bezien heeft Brabant trouwens nauwelijks buitengebied. In de typologie van Eurostat is alleen Noordoost-Brabant een regio tussen stad en platteland en de rest overwegend één stedelijke regio. Écht platteland vind je volgens de eurostat-definitie nergens in Nederland. Eén groot stadteland dus, met plukjes landelijker gebied. Dat verklaart wellicht dat de gestaag oplopende druk op de ruimte in Brabant door velen zo sterk wordt gevoeld.

Tijdens de coronacrisis groeide die druk in sneltreinvaart. Niet alleen kreeg de logistiek een boost, ook bleek er in no-time een schrijnend tekort aan beleefbare natuur dichtbij huis. Dit illustreert de toch al groeiende spanning tussen het Brabants grondgebruik en de waarden die we belangrijk vinden, in combinatie met de ruimte die nodig is voor de energietransitie, klimaatadaptatie, waterberging en biodiversiteit.

De druk zit daarbij niet alleen in de hectares. De visuele druk van windmolens, glastuinbouw, zonnecentrales en distributiecentra klinken minstens zo sterk door in het Brabants gesprek over ruimtelijke kwaliteit.

Voor beide is aandacht nodig: de hectares én het visuele. We vragen aandacht voor de gevolgen van een veranderend Brabant voor grondbenutting. Voor nieuwe combinaties bijvoorbeeld. En voor wat we níet (meer) willen. Daarmee wordt deze longread een opmaat voor een gesprek over mogelijke toekomsten van het Brabantse buitengebied – een gesprek dat nodig is voor werkelijke keuzes.


*Het kennis- en expertisecentrum van Cosum (voorheen Suiker Unie)

Bron: Kerncijfers Wijken en Buurten (KWB) 2015, bewerking: Centerdata & Studio Terp

Bewegend Brabant – bewegend grondgebruik

De titel van deze longread is De grond van morgen. We doelen op de manier waarop we in Brabant willen omgaan met grondeigendom, pacht, gebruik, waarde, regelgeving en beheer. De grond van morgen draagt de cultuur en economie van morgen en juist die staan voor grote opgaven.

Terechte vragen zijn dus: wat doen we met de grond van morgen? Van wie is ‘hij’? Hoe gaan we hem beheren? Ten dienste van welke principes zetten we hem in? Waar werken we? Waaráan werken we? Waar verdienen we ons geld en waarmee? Hoe wonen we en waar zijn we op vakantie? Waar maken we groene energie en bufferen we die? Waar krijgen kwetsbare mensen zorg? Waar verwerken we dierlijke mest en andere retourstromen en waar schaalt de nieuwe eiwitvoorziening eigenlijk op? En wat als de geschiedenis een totaal onverwachte wending neemt?

Meer vragen dan we in deze longread kunnen beantwoorden. Maar het schetst wel de uitdaging waar we voor staan: een grote hoeveelheid keuzes die samenhangt met de manier waarop we grond gebruiken.

Bron: CBS StatLine 2015, bewerking: Centerdata & Studio Terp

Landbouw schuift en de gevolgen zijn onzeker

In de vroege jaren 60 zette Nederland ruimtelijk in op functiescheiding: hier de industrie, daar wonen, verderop de landbouw en hier en daar natuur. We importeerden en exporteerden en een logistiek systeem verbond alles met elkaar en opgeteld leverde dat decennialang een opvallend efficiënte economie.

Brabant bestaat voor zo’n zestig procent uit agrarisch areaal (zie figuur Bodemgebruik) met grote verschillen per gemeente. Met name terrein voor wonen knabbelt momenteel aan dat areaal. Huishoudens krimpen. De welvaart stijgt nog steeds, honger speelt al decennia geen hoofdrol meer, er is een grote vraag naar woningen en een verkochte lap boerengrond levert vaak de hoofdprijs op. Naast wonen hebben de duurzame transities echter óok een ruimteclaim. Biodiversiteit en bodemkwaliteit zijn daarbij – voor ons onderwerp – de meest ingrijpende. Alles opgeteld staat vooral de boerengrond onder druk terwijl er tegelijkertijd meer areaal nodig lijkt voor meer duurzame vormen van landbouw.

Als die verschuiving in de landbouw plaatsvindt - en het lijkt eerder wanneer dan of te zijn - dan schuiven de grondpatronen. De vraag is in welke richting. Houden de agrarische familiebedrijven bijvoorbeeld de transities ver van zich of verbinden ze zich er juist intensief mee? Het antwoord op deze vraag bepaalt wat er zich ontwikkelt op hun areaal de komende decennia. Als de ZLTO gelijk heeft dat boeren de oplossing hebben, dan gaat hun areaal een rol spelen in de opwekking en buffering van groene energie.

Voor boeren geldt wellicht dat grond schaars is. Hij is in elk geval duur. Betaalde je in de jaren 1960 omgerekend 5.000 euro voor een hectare agrarische grond, anno 2019 is dat het twaalfvoudige. Dat geldt niet voor de melk en de prei. De grondprijzen leggen daarmee een last op veel agrariërs en beperken de keuzevrijheid om anders te boeren – minder intensief of met aandacht voor biodiversiteit – drastisch.

Het is niet voor niets dat veel boeren een zonnepark op hun grond een aantrekkelijk alternatief vinden voor het reguliere boeren. Investeerders bieden langjarige garanties die de opbrengst van een gewas ruimschoots overstijgen: voor een zonnepark bedragen de vergoedingen momenteel tussen de 5.000 en 6.000 euro per hectare. Het aantal boerenbedrijven in Brabant dat energie levert aan derden stijgt sinds 2010 dan ook flink van 69 in 2010 naar 538 (5% van het aantal landbouwbedrijven) in 2020. Met de warmtetransitie van de komende jaren waarbij aardgas uit de Brabantse huishoudens verdwijnt, ontstaat daarnaast met name in de stadscentra de roep om groen gas en op termijn, zo verwachten velen, om groen geproduceerde waterstof. Het is niet gezegd dat dat allemaal van de Moerdijk moet komen. Het aanleggen en onderhouden van intelligente netwerken levert ook in Brabant nieuwe werkgelegenheid op. En areaalbenutting.

Bron: CBS StatLine 2015, bewerking: Centerdata & Studio Terp

Bron: Kadaster/CBSbewerking: Studio Terp

Grondwaarde

Hoe wordt de waarde van de grond bepaald? De waarde van een kavel is niet overal in Nederland gelijk. De locatie, de bestemming en de actuele marktsituatie hebben invloed op de grondwaarde. Voor commerciële functies (zoals woningen, kantoren, winkels) wordt de grondprijs doorgaans ‘residueel’ bepaald – de grondprijs is afhankelijk van hetgeen op de grond wordt gerealiseerd. De grondprijzen voor maatschappelijke functies (zoals scholen, sociale woningen) worden doorgaans ‘comparatief’ bepaald. Bij deze systematiek hangt de grondprijs af van de door omliggende gemeenten gehanteerde prijs en wordt deze vaak uitgedrukt in een m²-uitgifteprijs. Voor bedrijventerreinen worden grondprijzen veelal ook comparatief bepaald, gebaseerd op grondprijzen elders in de regio, maar soms ook residueel. Elke gemeente bepaalt zijn eigen grondprijsbeleid in een grondprijsbrief.

Wonen en bevolking

Verstedelijking rukt op in Brabant. Het economisch succes van Brabant leidt ertoe dat er met name rondom de grote steden steeds meer adressen bijkomen – een maat van stedelijkheid. Tot en met 2050 is de verwachting dat de Brabantse bevolking groeit met ruim tien procent, ongeveer 280.000 mensen. Die groei is ongelijk verdeeld over de provincie. Ze concentreert zich in het stedelijk gebied, met name in de grotere steden (B5) en de middelgrote (M7). Aan de randen van Brabant zien we juist een krimp met bijbehorende fricties of uitdagingen zoals we schetsten in de longread Wat is er aan de rand?

Al die mensen moeten ergens wonen. En dat wonen doen ze steeds vaker alleen (*2), wat de vraag naar woningen verder aanjaagt. Hoewel er discussie (*3) is over hoeveel woningen er nodig zijn, is duidelijk dat er een aanzienlijke bouwopgave is, ook omdat het tekort nu al groot is. In 2020 stonden er 1.140.000 woningen in Noord-Brabant. Daar komen er naar verwachting tot 2050 220.000 bij (*4).

Ná 2050 zien we echter in alle Brabantse regio’s een afname van de bevolkingsgroei. Dat roept de vraag op of de woningbouwopgave die we nu percipiëren niet een tijdelijke is die we kunnen oplossen met vormen van tijdelijke woningen of woningbouw in combinatie met toekomstige afbouw van de woningvoorraad. Bij het nadenken over ruimte voor woningen is het in ieder geval goed om in het achterhoofd te houden dat hier geen sprake lijkt te zijn van eeuwige groei. Daarbij past dan ook niet bouwen voor de eeuwigheid. In de Brabantse Agenda Wonen (*5) wordt dat ook onderkend.

Terug naar de grond. Want woningen hebben grond nodig, ze moeten immers ergens worden gerealiseerd. Het grootste deel van de woningen zal nodig zijn in en rondom (middel)grote steden. Het is dan ook logisch om die woningen binnenstedelijk of binnendorps te realiseren, op plekken in de steden en dorpen die vrijkomen of vrijgemaakt worden. Toch klinkt er ook een roep om bouwen in het buitengebied. In dat geval gaat de woningbouwopgave concurreren met de andere opgaven aldaar.

Bron: Bevolkingsprognose provincie Noord-Brabantbewerking: Studio Terp

Discontinuïteiten

Wat nu als de ontwikkelingen die we zo’n beetje voorzien – een toename van de bevolking, van de windmolens en de waterbuffers, een afnemend aantal boeren, een hanteerbaar blijvende staatsschuld, dat soort - verstoord worden door voor velen juist ónverwachte ontwikkelingen? Alleen al denken aan de opkomst van internet leidt tot de conclusie dat de kans op discontinuïteit zeer reëel is. In dat geval neemt de Brabantse ontwikkeling een andere afslag en daarmee de co-evolutie tussen cultuur en grondgebruik.

Neem bijvoorbeeld de Brabantse bevolkingsgroei. Zet je er een loep op, dan blijkt de autochtone aanwas negatief - het aantal geboren Brabanders daalt. De toename wordt louter veroorzaakt door immigratie en de groeiende maakindustrie. Nieuwe netwerken en verouderende bevolking kunnen deze toetreders tot de Brabantse economie erg goed gebruiken. Met een toenemend nationalisme en protectionisme is er echter niet veel voor nodig om de bevolkingsgroei om te doen slaan in krimp. Gebeurt dit, dan heeft dat gevolgen voor de snelheid waarmee veel van onze opgaven worden gerealiseerd.

Als er één gevolg te trekken is uit dit soort gedachte-exercities dan is het die van de tijdelijkheid der dingen. Wendbaarheid is van belang.

Bron: (X)XL verdozing, College van Rijksadviseurs, 2019. Bewerking: Studio Terp

Logistiek

Ondertussen beconcurreren gemeenten elkaar met gunstige voorwaarden en lage grondprijzen om bedrijven te verleiden een distributiecentrum in hun gemeente te vestigen. Dit alles vanuit het doel van werkgelegenheid en economie. Maar terwijl de grond haast in de uitverkoop gaat, is het rendement op een logistieke hal op plekken in Brabant vergelijkbaar met dat van een kantoor in Londen (*6).

Het lijkt vechten voor een plekje in het weiland. Waar Coolblue in Tilburg (*7) een logistieke hal bouwde die 88.000 m2 beslaat, verschijnt in Waalwijk een distributiecentrum van Bol.com dat uiteindelijk 100.000 m2 inneemt (zestien voetbalvelden) en breidt de Ierse modegigant Primark haar distributiecentrum in Roosendaal uit van 56.000 naar 86.000 m2.

Blijkbaar valt het met de grondschaarste wel mee als er aaneengesloten voetbalvelden beschikbaar zijn. Onze veranderende cultuur verandert ook de prioriteiten in grondgebruik. De daglichtloze loodsen, in de volksmond ‘dozen’, verrijzen in een verder leeg landschap, omdat ze door hun schaal gemakkelijker in weilanden kunnen worden aangelegd dan op bestaande bedrijventerreinen.
Een impressie van de groei van het logistieke complex, met Brabant in het hart, wordt gegeven door het project Landscapes of trade (*8) van Merten Nefs:

Het toont hoe de logistieke dienstverleners oprukken in het landschap. Naast het aantal vierkante meters dat hiermee gemoeid is, staan deze hallen ook vaak op zichtlocaties langs snelwegen en dichtbij steden of dorpen, waardoor de visuele impact op het landschap groot is. En groeiende is, nu er steeds meer zogenaamde XXL-locaties bijkomen. Voor het college van Rijksadviseurs was het aanleiding te vragen om een strengere regie (*9).

Bron: www.windstats.nl, bezocht op 20 mei 2021, bewerking: Studio Terp

Energie

Een stevige ruimteclaim in het buitengebied komt uit de hoek van de energietransitie. Zonnecentrales en steeds grotere windmolens vragen om plek. Zo groeit het vermogen dat wordt opgewekt met windenergie hard. Zeker in de laatste jaren en is nog een groot aantal windmolens gepland. Ruimtelijk zien we vooral windmolens aan de westelijke kant van Brabant. Ook het aantal zonneparken is aan een opmars bezig. Hoewel er nog maar enkele zonneparken gerealiseerd zijn is het aantal geplande zonneparken groot.

De oppervlakte die zonneparken en windmolens vragen is beperkt, afgezet tegen de ruimte voor landbouw en natuur, maar ook hier is de visuele impact groot. Tegelijkertijd is er ruimte voor het combineren van functies. Een rij windmolens valt te combineren met een weiland, en een zonnepark met groenteteelt (*13), hoewel op de meeste plekken de biodiversiteit onder zonneparken veel meer aandacht verdient (*14) dan ze nu krijgt. Functiekoppeling biedt kansen om grond efficiënt in te zetten. Zonnepanelen en logistieke hallen, al zijn ze er niet altijd op gebouwd, zijn een logische combinatie.  

Bron: www.zonopkaart.nl, bezocht op 20 mei 2021, bewerking: Studio Terp

Natuur

Brabant kent prachtige natuurgebieden en hecht daar terecht veel waarde aan. Een mooi voorbeeld hiervan is dat ten tijde van de decentralisatie van het natuurbeleid en het schrappen van de Ecologische HoofdStructuur door het Rijk maatschappelijke organisaties samen met de provincie besloten het dan maar zelf te doen. Het resulteerde in het Groen Ontwikkelfonds waarin de provincie samen met ondernemers, organisaties, andere overheden en particulieren aan een robuust en aaneengesloten natuurnetwerk in Brabant werkt. In 2027 moet dat ongeveer 129.000 hectare beslaan. Grofweg negentig procent daarvan is bestaande natuur, zo’n tien procent moet worden gerealiseerd. Een aanzienlijke ruimteclaim dus. Bij natuur gaat het niet alleen over kwantiteit, maar ook over kwaliteit. En juist daar zien we in de afgelopen 25 jaar een negatieve ontwikkeling. Sinds 2007-2008 vlakt de achteruitgang van natuurkwaliteit af: de kwaliteit is nu stabiel. Maar er valt nog heel veel te wensen.

Bron: www.brabantinzicht.nl, bezocht op 28 februari 2020bewerking: Studio Terp

Klimaatadaptatie en mitigatie

In de longread Een nieuw klimaat voor natuur onderzochten we de klimaatgevolgen voor Brabant. Het wordt heter, natter én droger. Die gevolgen zijn in de hele provincie voelbaar, zoals we zien in figuur klimaatgevolgen en vragen om maatregelen die uiteenvallen in adaptatie en mitigatie. We moeten ons aanpassen aan het klimaat. Dit zal vragen om ruimte, maar vooral om slimme inpassing van nieuwe activiteiten en aanpassing van bestaande activiteiten. En we nemen maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan, of af te remmen. Zoals het overschakelen op meer duurzame vormen van energie. Klimaat is soms een ruimtevrager maar in ieder geval een belangrijke waarde die meegenomen moet worden bij het (her)inrichten van de ruimte.

Van wie is de grond?

Hiervoor hebben we gezien dat landbouw, woningbouw, logistiek, energie en natuur ruimte vragen. Wageningen Universiteit becijferde voor Nederland dat als je alle grondclaims optelt je Nederland een stukje moet gaan uitbreiden (zie figuur ruimtegebruik). Hoewel een één-op-één-doorvertaling naar Brabant met deze cijfers niet te maken is, vergt het weinig fantasie om ook voor Brabant de conclusie te trekken dat we zullen moeten kiezen tussen noden en wensen. Het is een conclusie die ook in de Nationale omgevingsvisie en in de Brabantse omgevingsvisie en verordening naar voren komt, maar waar deze instrumenten op zichzelf geen antwoord op geven. Afwegingskaders zijn nog geen inhoudelijke keuzes.

Het maken van keuzes is niet nieuw voor het Brabantse buitengebied. Als we nogmaals kijken naar Het landschap, de mensen dan lezen we daar hoe onder regie van de Rijksoverheid het landschap is veranderd in een rationeel landschap. Van woeste gronden, bestaande heidevelden en kronkelige beken, naar een landschap waar ‘alles netjes in lades en vakjes’ is geordend. Dit was geen autonome ontwikkeling, maar een vanuit ideeën gestuurde transitie. Met vergaande consequenties voor de mensen die de grond bewerken, bewonen en bezitten.

Bron: Adaptatiestrategie voor een klimaatbestendige natuur, Planbureau voor de leefomgeving, 2010

Bron: Wageningen University 2020

Bezit

Het bezit van grond verschilt sterk per provincie en gemeente. In Noord-Brabant is ongeveer 35 procent van de grond in handen van de overheid, vijftien procent van niet-natuurlijke personen zoals stichtingen, bedrijven of verenigingen, en de resterende helft is van natuurlijke personen, vaak boeren. Afgezien van de mogelijkheid tot onteigening en de vele regels, kaders en randvoorwaarden die er vanuit de maatschappij aan het gebruik van grond zijn verbonden, laten deze cijfers zien wie er primair in staat is te sturen op het gebruik van het land. Maar grondeigendom is én was meer dan dat.

De binding die grondeigenaren met hun grond hebben, is door de tijd heen sterk veranderd. Dit heeft directe gevolgen voor de keuzes die gemaakt worden voor de omgang met de grond. Goede zorg voor de grond, met een horizon die gericht is op de lange termijn, had vroeger een prominente plek in Brabant. Dit kreeg eerst vorm in zogeheten ‘gemene gronden’, gronden met een gemeenschappelijk gebruik die logischerwijs een langetermijnbelang dienden: dat was immers in het belang van allen. Door een privatiseringsslag, ingezet in de Franse tijd – onder andere om meer opbrengst van de grond te krijgen en zo meer monden te kunnen voeden (zie tijdlijn) – begon dit langetermijnbelang langzaamaan te schuiven. Niet alleen won het productiebelang van grond aan terrein, ook de sentimentele band met de grond nam af. De band die bewoners en boeren met hun grond hadden, was ooit als een familieband: hierin lag hun biografie en geschiedenis besloten. Zulke liefde werkt als een mentale beschermheer van het landschap en kan het langetermijnbelang met een vanzelfsprekendheid borgen.

Tegenwoordig is deze binding meestal losser. Ook overheden lijken die binding met ‘hun’ grond steeds minder te kennen. Steeds vaker hebben overheden alleen een actieve grondportefeuille die wordt ingezet om doelen te behalen binnen projecten. De intenties achter verschillende gebruiksconstructies die het landelijk gebied kent, illustreren dit. Want zeker niet in alle gevallen is de grondbezitter de grondgebruiker. In het landelijk gebied is (erf)pacht ontstaan doordat eigenaren de ontginning van woeste grond overlieten aan derden, die daarvoor een vergoeding betaalden aan de grondeigenaar. Tegenwoordig wordt (erf)pacht in het landelijk gebied gebruikt als beleggingsinstrument, als financieringsinstrument en als beheerinstrument. Het aantal kortlopende pachtconstructies is in negen jaar ruim vervijfvoudigd, mede doordat bij de invoering van nieuwe pachtregels in 2007, het makkelijker werd voor verpachters om grond kort te verpachten.

Ontwikkeling gemene gronden

Gemene gronden zijn gronden die door een groep gebruiksgerechtigden gemeenschappelijk gebruikt en beheerd worden. Zij mochten er bijvoorbeeld hun vee laten grazen, turf steken of brandhout verzamelen. Deze groep moest aan bepaalde voorwaarden voldoen om hiervan gebruik te mogen maken. Daarnaast werden afspraken over dit gebruik vastgelegd in een reglement, met bijvoorbeeld afspraken over het aantal en soort dieren dat er mocht grazen. Het beheer was in handen van een bestuur dat door de gerechtigden werd verkozen.

Er zijn twee hoofdtypen van gemene gronden te vinden:
• De open gemene gronden strekten zich uit over grote gebieden en werden meestal beheerd door de lokale overheden. Zij konden beschouwd worden als publiek eigendom. Het gebruiksrecht kwam toe aan de bewoners van de aanpalende dorpen. Er was geen omheining en de begrenzing van de gronden was vaag.
• Het statuut van de gesloten gronden leunde meer aan bij de privé-eigendommen. Hun omvang was kleiner en alleen leden of afstammelingen van bepaalde families of bewoners van een bepaald gebied waren gebruiksgerechtigd.

Momenteel bestaan gemene gronden eigenlijk niet meer. Door de stijgende bevolkingsgroei en nieuwe landbouwtechnieken kwam de exploitatievorm van gemene gronden ter discussie te staan. Met de Franse revolutie verdween ook de juridische basis: in plaats van een landheer die gebruiksrechten toekenden aan een groep gerechtigden, werden de gemene gronden overgeheveld naar de gemeenten en werden ze eigendom van de overheid. Enkele crises (hongersnood) zorgden voor een roep om meer productiviteit op de gronden. Via privatisering werd geprobeerd de opbrengst van de gronden te verhogen.

Bron: Kadaster/Provincie Noord-Brabant 2021, bewerking: Centerdata & Studio Terp

Bij kortlopende pachtconstructies, die een duur kennen van maximaal zes jaar, is het duurzame belang naar de achtergrond verdwenen. De band van de grondgebruiker met de grond is dan enkel gestoeld op een korte termijnrelatie, die maximalisering in de hand werkt. Toch zien we hierin ook een kanteling. Steeds meer maatschappelijke organisaties realiseren zich dat grondbezit ook macht is en nemen in hun pachtconstructie duurzame voorwaarden op. Ook de landbouw wordt vaker aangesproken op een maatschappelijke taak als beheerder van de grond en op het vervullen van publieke waarden zoals omgevings- en landschapskwaliteit. Zonder grond geen toekomst.

Bron: CBS Landbouwtellingbewerking: Studio Terp

INTERVIEW HARRY BREVIERS - GEDULDIG GELD

Hoe je langjarig omgaat met grond als beheerder en belegger laat het verhaal van Harry Breviers zien. Hij is namens a.s.r. rentmeester van Landgoed de Utrecht in de Brabantse Kempen. Je leest het interview 'Geduldig Geld' met Harry Breviers hier.

Zonder grond geen toekomst

Het is niet voor het eerst dat in Brabant de grondfuncties wijzigen. In het buitengebied veranderde in het verleden voor veel Brabanders hun leefomgeving voor de moderne grondbenutting. De offers die dat heeft gevraagd knellen momenteel, zeker omdat de doelen van destijds gehaald en veilig gesteld lijken: bestaanszekerheid, welvaart, emancipatie en welzijn.

Na een lange periode van relatieve rust is het opvallend hoe gemakkelijk momenteel de grondfuncties wijzigen. Wat eerder al gold voor de zichtlocaties langs de Brabantse snelwegen, zien we nu ook dieper het weiland de strijd om grond losbarsten. Aaneengesloten voetbalvelden zijn beschikbaar voor hypermoderne distributiecentra. De markt lijkt daarbij dominant.

Er moeten keuzes gemaakt worden tussen de noden en wensen. Iets wat zowel in de Nationale omgevingsvisie als in de Brabantse omgevingsvisie (*13) en verordening naar voren komt, maar waar deze instrumenten op zichzelf geen antwoord op geven.

Duidelijk is wel dat verduurzaming de louter economisch gedreven manier van omgaan met grondvraagstukken onder druk zet. Ook economen denken opnieuw na over onze samenleving, nu met een bredere blik. Een discussie over grond en grondroutines hoort daarbij. Ze hoort misschien zelfs in het centrum te staan.

In het buitengebied is de landbouwgrond natuurlijk dominant: zestig procent van het gebied is landbouwareaal. Het Brabantse buitengebied staat voor een aantal grote transitieopgaven. Met enkele voorspelbare ontwikkelingen en vele disruptieve innovaties om de hoek, is het raadzaam te beseffen dat innovatie en vernieuwing ons slechts ten dele overkomen. Zeker rond grondgebruik en duurzame
landbouw kan de Brabantse gemeenschap die twee mede zelf vormgeven, maar dan is wel samenwerking en actie nodig. We hebben drie suggesties voor bestuur en beleid.

DRIE SUGGESTIES VOOR BESTUUR EN BELEID

1. Keuzes en visie nodig

Keuzes maken tussen de verschillende ruimtevragers lijkt onontkoombaar. Toch ben je er met kiezen alleen niet en kan kiezen ook verhullen waar het om gaat. Natuur is bijvoorbeeld een belangrijke ruimtevrager. Maar als we kijken naar natuurkwaliteit, gaat het eigenlijk over het verhogen van de biodiversiteit. Dat hoeft niet (alleen) door het aanleggen van nieuwe natuur te komen, maar kan ook plaatsvinden door de biodiversiteit op het boerenland te verhogen, langs perceelsgrenzen of door maatregelen in het bebouwd gebied. Hectares zeggen niet alles. De impact van zonnevelden, windmolens, logistieke centra en glastuinbouw is groter dan alleen duidelijk wordt op basis van de hectares die ze in nemen. Ook hun visuele druk op het landschap moet worden meegenomen.
In haar recente rapport Grote opgaven in een beperkte ruimte17 pleit het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dan ook voor het in balans brengen van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de fysieke leefomgeving. Waar nu de gebruikswaarde domineert, zouden het bodem- en watersysteem leidend moeten worden bij het (her)inrichten van de fysieke leefomgeving. Dat betekent dus nog steeds kiezen, maar niet alleen om de ene of de andere opgave te prioriteren, maar om de verschillende opgaves in samenhang te bekijken en af te wegen tegen de huidige en toekomstige consequenties.

Daar komt nog bij dat het niet alleen gaat om rationele keuzes, maar om sociale vraagstukken, met belangen en waarden die gekoppeld zijn aan het huidige en toekomstig grondgebruik. Elke keuze heeft nadelen, óók niets doen. Zolang de voordelen die echter overtreffen, blijven mensen haar actief steunen, onderhouden en stapsgewijs verbeteren. Marko Hekkert en Koen Frenken noemen dit ook wel ‘transformatiefalen’: het onvermogen van het hele systeem en alle bijbehorende instituties om zichzelf opnieuw uit te vinden en zo radicale oplossingen mogelijk te maken. Het voorkomen van transformatiefalen vraagt om een gedeelde visie en een gedeeld doel om op samen op te stomen naar een nieuwe werkelijkheid. Dat is in de regel een andere dynamiek dan als de markt het ontwikkelpad domineert.

2. Slim combineren en tijdig kiezen

De innovatiekracht in Brabant zal nodig zijn om slimme combinaties te vinden en toe te passen. Hoewel we er al lang over spreken is multifunctioneel ruimtegebruik inmiddels onontkoombaar geworden. De eerste proeven om de biodiversiteit te verhogen onder, tussen en naast zonnevelden zijn er. En een zonnepaneel op een logistieke hal is een no-brainer, met name voor nieuw te bouwen hallen waar van tevoren rekening gehouden kan worden in de constructie. Maar ook nieuwe natuur en het verhogen van de biodiversiteit op landbouwareaal kunnen uitkomst bieden. Juist in het combineren van de verschillende ruimtevragers lijken dus kansen te liggen. Wat potentieel kan, hoeft echter maatschappelijk nog niet wenselijk te zijn. Wonen naast een windmolen kan, maar het verzet hiertegen groeit en de eerste resultaten van de regionale energiestrategieën laten zien dat het draagvlak per regio verschilt.

Het interview met Harry Breviers laat zien dat het bezitten van grond vaak iets is van decennia. Keuzes die gemaakt worden hebben langjarige consequenties, je verandert een functie van grond niet zomaar. Ook bij het zoeken naar slimme combinaties speelt deze tijdigheid een rol. Experimenteren met nieuwe combinaties is nodig. We weten nog niet precies wat wel en niet goed samen gaat, en voor sommige vraagstukken is meer kennis nodig. Experimenteren gaat met vallen en opstaan en maakt vaak tijdelijk mogelijk wat regulier nog niet kan. Daarbij is het wel zaak op te passen dat dit niet verzandt in een permanente bèta-versie van het buitengebied. Op enig moment is opschaling en verdere inbedding nodig. Verbinden van functies en experimenteren met nieuwe vormen zijn echter geen wondermiddelen voor het ontlopen van (lastige) keuzes. Slim combineren is nodig naast keuzes maken, níet als vervanger ervan.

3. Grond is sleutel tot verandering

Zelfs voor een commerciële verzekeraar als a.s.r. is grond niet zomaar het zoveelste product. Het komt met gevoel en verantwoordelijkheid. Ook voor boeren is hun grond niet alleen een economische productiefactor, maar een waarde die doorgeven wordt van generatie op generatie. Dit staak haaks op grondspeculatie en het zo snel mogelijk te gelde maken van grond. Maar de hoge kosten van grond(bezit) maken het ook lastig om te veranderen. Dat geldt voor boeren die minder intensieve varianten nastreven, maar ook voor gemeenten die grond nodig hebben voor woningbouw of de energietransitie. We zien dan ook dat er een veelheid aan nieuwe initiatieven ontstaat om anders met grond om te gaan. De provincie Noord-Brabant is daarbij een voorloper met het Groen ontwikkelfonds (*15). Toch lijkt er meer nodig. Initiatieven als Grond van Bestaan, Aardpeer en natuurlijk Herenboeren beseffen dat een andere omgang met grond de sleutel is tot verandering. Zij proberen dat op kleine schaal uit, de uitdaging zit erin om dit soort oplossingen te gebruiken om te komen tot een hernieuwde omgang met grond. Eén die toekomstbestendig is en het Brabants buitengebied klaar maakt voor de 21ste eeuw.

Bronnen:

1. Bevolkingsprognose Noord-Brabant, Provincie Noord-Brabant, 2017

2. Visie Landbouw, Natuur en Voedsel: Waardevol en Verbonden, rijksoverheid, 2018

3. Bevolkingsprognose Noord-Brabant, Provincie Noord-Brabant, 2017

4. Brabantse Agenda Wonen, Provincie Noord-Brabant, 2017

5. Miljoen extra woningen lariekoek, Follow the Money, 2020

6. Bedrijfshal in een weiland is voor belegger bijna net zo mooi als een kantoor in Londen, FD, 2020

7. Omgevingswet Brabant, Provincie Noord-Brabant, 2021

8. Podcast De Zeven Zonden van Brabant - Gulzigheid, BrabantKennis, 2020

9. Grote opgaven in een beperkte ruimte, Planbureau voor de leefomgeving, 2021

10. Landscapes of trade, Merten Nefs, 2019s

11. (X)XL verdozing - Minder, compacter, geconcentreerder, multifunctioneler, Rijksoverheid, 2019

12. Groen Ontwikkelfonds Brabant, Provincie Noord-Brabant, 2021

13. Groenten telen onder zonnepanelen in Oss: ‘Een win-winsituatie’, Omroep Brabant, 2021

14. Zonneparken en biodiversiteit: ruimte voor verbetering, WUR, 2021

15. Een nieuw klimaat voor natuur? BrabantKennis, 2019

Betrokken personen

Jos van den Broek

onderzoeker

Jos van den Broek

Jos is directeur van BrabantKennis. Professioneel beweegt hij zich graag op de grens tussen wetenschap, beleid en samenleving, daar waar kennis omgezet wordt in actie. Waar ze elkaar ontmoeten, maar waar het ook schuurt en actieve verbinding nodig is.
Piera Fehres

projectleider

Piera Fehres

Piera is toekomstverkenner bij BrabantKennis. Haar achtergrond in natuur en landbouw combineert zij met veel interesse in wat mensen beweegt. Samen nadenken over de toekomst inspireert, verbreedt het perspectief en geeft haar positieve energie.
Hanneke Verhoeven

eindredacteur

Hanneke Verhoeven

Hanneke heeft haar eigen tekst- en communicatiebureau: Bureau Vrijdag. Ooit begonnen op vrijdag, maar inmiddels ook de rest van de week beschikbaar voor alles op het gebied van tekst, communicatie en PR.

25 november 2021: Onzekere Zaken festival

Bekijk event